Voor een beter begrip van waar je bij de aankoop van een digitale camera mee te maken krijgt allereerst een paar algemene opmerkingen. Zo zijn nagenoeg alle zogenaamde compactcamera's met een vaste lens - ook van toppers als de hiernaast afgebeelde Olympus - traag in hun bediening. Dat maakt het lastig om bewegende onderwerpen, zoals bijvoorbeeld kinderen en sport, op het juiste moment mee vast te leggen.
Voor een veel snellere camera kom je al snel terecht in het tussengebied tussen consumentencamera's en de professionele modellen. Bij deze laatste waren prijzen van 4000-6000 euro voor een body zonder lens echter niet ongewoon en dat betekent voor verreweg de meeste hobby-fotografen vanzelfsprekend een onbereikbare hoogte. Gelukkig werd er met de Canon 300D en de Nikon D70 een betaalbare brug tussen beide segmenten geslagen door spiegelreflexcamera's in het zogeheten 'prosumer'-segment.
Sinds de eerste consumentenmodellen verschenen is de kwaliteit van de meeste digitale camera's met grote sprongen vooruit gegaan. Dat betreft niet in de eerste plaats het aantal pixels want, zoals we verderop in dit artikel zullen zien, dat is geen directe afspiegeling van de beeldkwaliteit. Het is veelmeer in het interface en de verdere verwerking van het beeld dat de grootste voortgang is geboekt. Ook de optiek staat veelal op een hoog niveau.
De Canon kwam als eerste met een digitale spiegelreflex - dus met verwisselbare lenzen - onder de duizend euro (inclusief lens) en Nikon volgde enige tijd later met een systeem dat weliswaar iets duurder was, maar dat meer kwaliteit en meer mogelijkheden bezit. Je komt met dit soort prijzen natuurlijk wel in een segment waar je voor je keuze niet over één nacht ijs gaat, maar waar de vele specificaties echt deskundige informatie noodzakelijk maken.
Gelukkig zijn er - Engelstalige - sites die ons hierin op uitmuntende wijze tegemoet komen. Zo zijn er de sites Imaging Resource en Digital Photography Review, die beide diepgaande besprekingen van dit soort camera's bevatten. Voor degenen die in de richting van Nikon kijken is er de voortreffelijke site van Thom Hogan die tevens een aantal zeer uitgebreide e-boeken (in pdf-formaat) schreef over de topcamera's (analoog en digitaal) van dit merk.
Het lijkt op het eerste gezicht fantastisch om van lens te kunnen wisselen, maar juist bij een digitale camera zit hier een flinke adder onder het gras - genaamd stof! Kun je dit nog wel vrij eenvoudig van de beweegbare spiegel afvegen, van de lichtgevoelige matrix dien je zonder meer ver weg te blijven. Stof hierop betekent tenslotte dat de camera naar de fabrikant terug moet om in een cleanroom te worden schoongemaakt en dat loopt flink in de papieren.
Zolang de schade niet al te groot is kunnen met de bij de camera altijd meegeleverde software de door stofdeeltjes afgedekte pixels nog wel worden geëxtrapoleerd. Terwijl de daardoor ontstane ongewenste artefacten natuurlijk ook door de bewerkingssoftware kunnen worden verwijderd. Maar het blijft oppassen geblazen en het gebruik van een balg voor extreme macro-opnamen bijvoorbeeld is onder normale omstandigheden beslist af te raden.
Een ander belangrijk verschil tussen de consumentgerichte compacte camera's en de duurdere reflexen is de grootte van de lichtgevoelige matrix. Alleen bij de zeer dure professionele modellen komt deze overeen met de 24 x 36 millimeter van het kleinbeeldformaat. Bij de hierboven genoemde Nikon D70 is het formaat ervan 15.6 x 23.7 mm, hetgeen dus inhoudt dat de brandpuntsafstand van het objectief met 1.52 moet worden vermenigvuldigd.
Bij de gemiddelde compacte consumentencamera ligt het formaat daarentegen op 5.5 x 7.5 mm en dat betekent een wereld van verschil. Ten eerste voor de constructie van de lens die voor de bijna onmogelijke taak staat om een nog scherper beeld op de sensor te werpen. Daarbij is het duidelijk dat ook de pixels zelf een heel stuk kleiner zullen uitvallen en vooral dit heeft vanzelfsprekend de nodige consequenties voor zowel de kleurverzadiging als de beeldruis.
Het is duidelijk dat grotere pixels meer licht weten te vangen, waardoor de informatiedichtheid - en daarmee de beeldkwaliteit - toeneemt. Het betekent echter ook dat de drempelwaarde waarbij een pixel actief wordt lager komt te liggen zodat deze al bij minder licht een beeldpunt oplevert. Beeldruis ontstaat onder andere doordat een pixel onder zijn drempelwaarde zwart blijft. Verder is zo'n matrix een complexe electronische schakeling die warmte en daarmee ook weer ruis produceert.
Beeldruis tast de definitie van de afbeelding aan - levert daarmee dus minder scherpte op - en geeft het een wat smoezelig aanzien. Het beperkt daarmee in feite ook de effectieve gevoeligheid van de camera. Door de grotere matrix nu zijn digitale reflexcamera's op een veel hogere gevoeligheid in te stellen, meestal tot zo'n 1600 ISO, tegenover een compactcamera op hoogstens 400 ISO. Tegelijk zal zowel de kleurkwaliteit als de dynamische omvang aanmerkelijk beter zijn.
De opdracht voor elke fotolens is duidelijk: een zo scherp mogelijk beeld vormen van het onderwerp. Dat krijg je niet voor elkaar met een enkele lens en daarom bestaan objectieven uit meerdere, nauwkeurig op elkaar afgestemde en soms hecht met elkaar verbonden lenselementen van verschillende vorm en vaak ook van verschillende glassoorten. Behalve uiterst nauwkeurige berekeningen vereist dit vooral ook een complex, computergestuurd productieproces. Plus vaak nog het nodige handwerk...
Het is duidelijk dat hiermee een objectief substantiëel is bij de kostenopbouw van een camera. Ook is het kleine, ingebouwde objectief van een compacte camera niet echt te vergelijken met de grote verwisselbare objectieven van een spiegelreflex die behalve de nodige electronica ook nog piepkleine motoren bevatten voor diafragma en scherpstelling. Het veel grotere volume aan (dure) glassoorten vereist bovendien een steviger behuizing en een sterke banjonetkoppeling, hetgeen het grote prijsverschil verklaart.