Veel regels om tot betere foto's te komen gelden natuurlijk zowel voor 'normale' als voor digitale camera's, maar voor de laatste gelden toch ook een aantal specifieke zaken waarmee je zo goed mogelijk specifieke problemen kunt omzeilen en/of gebruikmaken van allerlei extra mogelijkheden die naar bijzondere foto's kunnen voeren. Hoe het ook zij, hier volgen een groeiend aantal nuttige en praktische tips en trucs die misschien bekend of vergeten, maar wie weet ook helemaal nieuw zijn...
Bij vrijwel alle camera's is er een keuze te maken tussen verschillende compressieverhoudingen en daarnaast tussen verschillende resoluties. Het is duidelijk dat hoe hoger de compressie hoe slechter het beeld en hoe kleiner de omvang van de resulterende file, waar aan de andere kant een hoge resolutie het beeld verbetert, maar de file ook groter maakt. In het algemeen kun je daarbij als richtlijn aannemen dat een lichte tot redelijke compressie (voorbeeld) de beeldkwaliteit nauwelijks zal aantasten. Zie ook 'Beeldcompressie'...
Het heeft echter wel een forse reductie van de omvang ten gevolge. Tengevolge hiervan hoef je dan niet meer zozeer op de resolutie te beknibbelen en die is in veel grotere mate verandwoordelijk voor een adequate beeldkwaliteit, al moet je natuurlijk ook hier niet overdrijven. Wanneer plaatjes alleen maar voor een website zijn bedoeld is het onzin om meer dan twee maal de uiteindelijk benodigde resolutie toe te passen, maar voor goede prints is enig rekenwerk beslist wel op z'n plaats.
Camera's in het duurdere segment, zoals bij de digitale spiegelreflexen, hebben de mogelijkheid om een opname in een zogenaamd RAW-formaat op te slaan. Helaas is dit geen algemene standaard, maar is het gekoppeld aan bepaalde fabrikant. En zo is er dus een Nikon-Raw dat NEF en een Canon-Raw dat CRW wordt genoemd. Ze hebben wel met elkaar gemeen dat ze, zelfs met een zekere mate van compressie, veel ruimte innemen en je daarmee dus aanmerkelijk minder opnamen op een geheugenkaart kunt vastleggen.
In feite is RAW ook geen echt beeldformaat, maar - zoals de naam al zegt - een verzameling niet bewerkte opname-informatie. Deze is in een normale beeldviewer daarom ook niet zichtbaar en moet met een speciaal fabrikant-eigen programma worden bekeken en eventueel geconverteerd naar een minder exotisch formaat. Als pluspunt is er vooral de mogelijkheid om achteraf de wit-balans en daarmee ook de kleursfeer te wijzigen en om niet helemaal juist belichte opnamen alsnog te kunnen corrigeren.
Zoals vaak met dit soort bijzondere onderwerpen heb je krachtige voorstanders en anderen die het vanuit een wat breder perspectief plaatsen. Het blijft echter een interessante mogelijkheid die een rol kan spelen onder speciale omstandigheden... waarbij men dan de nadelen van traagheid in het wegschrijven en de grote files (gemiddeld zo'n vier maal groter dan een hoge kwaliteit JPEG) op de koop toeneemt. Meer hierover bij 'Grafische formaten'.
Waar de allereenvoudigste camera's de diverse instellingen vaak volledig automatisch kiezen, bieden de wat betere digitale camera's zowel een sluitertijd- als een diafragmavoorkeuze. Bij daglichtopnames met voldoende licht is het daarbij zaak om een zo kort mogelijke sluitertijd te kiezen, zodat bewegingsonscherpte in elk geval zoveel mogelijk wordt uitgesloten. Het diafragma zal zich onder deze omstandigheden zeker voldoende sluiten om ook een goede scherptediepte te realiseren.
Onder minder goede lichtsituaties is het belangrijk om het diafragma zo groot mogelijk te houden (een zo klein mogelijk getal dus). Waarschijnlijk zal dit ook betekenen dat de flitser wordt ingeschakeld, waarbij de sluitertijd meestal automatisch op een vaste minimum waarde van iets als 1/60ste seconde wordt ingesteld. Bij werken vanaf een statief en een stilstaand onderwerp - bijvoorbeeld voor opnamen dichtbij - zal meestal een zo hoog mogelijke scherptediepte wordt nagestreefd en dient dus een klein difragma te worden ingesteld.
De getallen die we als diafragmawaarden hanteren zijn in werkelijkheid relatieve waarden waarin de brandpuntafstand van het objectief wordt gedeeld door de diameter van de diafragma-opening. Om tot eenzelfde relatieve diafragmawaarde te komen is bij een tele-objectief dus een aanmerkelijk grotere opening nodig dan bij een groothoeklens. Die diameter wordt op zijn beurt weer beperkt door de constructie van de lens en vooral de grootte ervan. Daarom is een lichtsterke lens veel omvangrijker, robuuster van constructie en heel veel duurder.
Men heeft bij de opeenvolgende waarden tenslotte gekozen voor een systeem waarbij elke opvolgende waarde een halvering of een verdubbeling van de belichtingstijd ten gevolge heeft. Bij f/5.6 ontvang je dus twee maal zoveel licht als bij f/8 en f/11 is daar weer de helft van. Deze internationale reeks ziet er uit als: f/1 - 1.4 - 2 - 2.8 - 4 - 5.6 - 8 - 11 - 16 - 22 - 32 - 45 - 64 - 90... Bij kleinbeelcamera's gaat men meestal niet verder dan f/22, maar op technische (grootformaat) camera's met aanmerkelijk grotere brandpuntafstanden komen ook veel hogere waarden voor.
Wordt vervolgd...